Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Cette annexe présente la conjugaison du verbe beginnen . Il est conjugué à l'aide de l'auxiliaire zijn .
Participe (deelwoord )
Participe présent (onvoltooid deelwoord )
Participe passé (voltooid deelwoord )
beginnend
begonnen
Indicatif (aantonende wijs )
Personne
Présent (onvoltooid tegenwoordige tijd , abrégé o.t.t. )
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd , abrégé v.t.t. )
1re pers. sing.
ik
begin
ik
ben begonnen
2e pers. sing.
jij, je
begint
jij, je
bent begonnen
u (vouvoiement)
begint
u (vouvoiement)
bent/is begonnen
gij, ge
begint
gij, ge
zijt begonnen
3e pers. sing.
hij, zij, het
begint
hij, zij, het
is begonnen
1re pers. pl.
wij, we
beginnen
wij, we
zijn begonnen
2e pers. pl.
jullie
beginnen
jullie
zijn begonnen
3e pers. pl.
zij, ze
beginnen
zij, ze
zijn begonnen
Personne
Passé simple (onvoltooid verleden tijd , abrégé o.v.t. )
Plus-que-parfait (voltooid verleden tijd , abrégé v.v.t. )
1re pers. sing.
ik
begon
ik
was begonnen
2e pers. sing.
jij, je
begon
jij, je
was begonnen
u (vouvoiement)
begon
u (vouvoiement)
was begonnen
gij, ge
begon
gij, ge
waart begonnen
3e pers. sing.
hij, zij, het
begon
hij, zij, het
was begonnen
1re pers. pl.
wij, we
begonnen
wij, we
waren begonnen
2e pers. pl.
jullie
begonnen
jullie
waren begonnen
3e pers. pl.
zij, ze
begonnen
zij, ze
waren begonnen
Personne
Futur (onvoltooid, tegenwoordig en toekomende tijd , abrégé o.t.t.t. )
Futur antérieur (voltooid, tegenwoordig en toekomende tijd , abrégé v.t.t.t. )
1re pers. sing.
ik
zal beginnen
ik
zal begonnen zijn
2e pers. sing.
jij, je
zult/zal beginnen
jij, je
zult/zal begonnen zijn
u (vouvoiement)
zult/zal beginnen
u (vouvoiement)
zult/zal begonnen zijn
gij, ge
zult beginnen
gij, ge
zult begonnen zijn
3e pers. sing.
hij, zij, het
zal beginnen
hij, zij, het
zal begonnen zijn
1re pers. pl.
wij, we
zullen beginnen
wij, we
zullen begonnen zijn
2e pers. pl.
jullie
zullen beginnen
jullie
zullen begonnen zijn
3e pers. pl.
zij, ze
zullen beginnen
zij, ze
zullen begonnen zijn
Conditionnel (voorwaardelijke wijs )
Personne
Conditionnel présent (onvoltooid verleden toekomende tijd , abrégé o.v.t.t. )
Conditionnel passé (voltooid verleden toekomende tijd , abrégé v.v.t.t. )
1re pers. sing.
ik
zou beginnen
ik
zou begonnen zijn / zou zijn begonnen
2e pers. sing.
jij, je
zou beginnen
jij, je
zou begonnen zijn / zou zijn begonnen
u (vouvoiement)
zou/zoudt beginnen
u (vouvoiement)
zou/zoudt begonnen zijn / zou/zoudt zijn begonnen
gij, ge
zoudt beginnen
gij, ge
zoudt begonnen zijn / zoudt zijn begonnen
3e pers. sing.
hij, zij, het
zou beginnen
hij, zij, het
zou begonnen zijn / zou zijn begonnen
1re pers. pl.
wij, we
zouden beginnen
wij, we
zouden begonnen zijn / zouden zijn begonnen
2e pers. pl.
jullie
zouden beginnen
jullie
zouden begonnen zijn / zouden zijn begonnen
3e pers. pl.
zij, ze
zouden beginnen
zij, ze
zouden begonnen zijn / zouden zijn begonnen
Subjonctif (aanvoegende wijs )
Note d’usage : Le subjonctif n’est pratiquement plus utilisé en néerlandais. Il ne subsiste que dans certaines situations (expressions, vœux, recettes, etc.) et ne s’utilise qu’à la troisième personne du singulier.
Personne
Présent
Passé
3e pers. sing.
hij, zij, het, men
beginne
hij, zij, het, men
begonne
Impératif (gebiedende wijs )
2e pers. sing.
begin
2e pers. sing. (vouvoiement)
begint u
1re pers. pl.
laten we beginnen
2e pers. sing.
begin
2e pers. sing. (vouvoiement)
begint u
Indicatif (aantonende wijs )
Personne
Présent (onvoltooid tegenwoordige tijd , abrégé o.t.t. )
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd , abrégé v.t.t. )
1re pers. sing.
ik
word begonnen
ik
ben begonnen
2e pers. sing.
jij, je
wordt begonnen
jij, je
bent begonnen
u (vouvoiement)
wordt begonnen
u (vouvoiement)
bent/is begonnen
gij, ge
wordt begonnen
gij, ge
zijt begonnen
3e pers. sing.
hij, zij, het
wordt begonnen
hij, zij, het
is begonnen
1re pers. pl.
wij, we
worden begonnen
wij, we
zijn begonnen
2e pers. pl.
jullie
worden begonnen
jullie
zijn begonnen
3e pers. pl.
zij, ze
worden begonnen
zij, ze
zijn begonnen
Personne
Passé simple (onvoltooid verleden tijd , abrégé o.v.t. )
Plus-que-parfait (voltooid verleden tijd , abrégé v.v.t. )
1re pers. sing.
ik
werd begonnen
ik
was begonnen
2e pers. sing.
jij, je
werd begonnen
jij, je
was begonnen
u (vouvoiement)
werd begonnen
u (vouvoiement)
was begonnen
gij, ge
werdt begonnen
gij, ge
waart begonnen
3e pers. sing.
hij, zij, het
werd begonnen
hij, zij, het
was begonnen
1re pers. pl.
wij, we
werden begonnen
wij, we
waren begonnen
2e pers. pl.
jullie
werden begonnen
jullie
waren begonnen
3e pers. pl.
zij, ze
werden begonnen
zij, ze
waren begonnen
Personne
Futur (onvoltooid, tegenwoordig en toekomende tijd , abrégé o.t.t.t. )
Futur antérieur (voltooid, tegenwoordig en toekomende tijd , abrégé v.t.t.t. )
1re pers. sing.
ik
zal begonnen worden
ik
zal begonnen zijn
2e pers. sing.
jij, je
zult begonnen worden
jij, je
zult begonnen zijn
u (vouvoiement)
zult begonnen worden
u (vouvoiement)
zult begonnen zijn
gij, ge
zult begonnen worden
gij, ge
zult begonnen zijn
3e pers. sing.
hij, zij, het
zal begonnen worden
hij, zij, het
zal begonnen zijn
1re pers. pl.
wij, we
zullen begonnen worden
wij, we
zullen begonnen zijn
2e pers. pl.
jullie
zullen begonnen worden
jullie
zullen begonnen zijn
3e pers. pl.
zij, ze
zullen begonnen worden
zij, ze
zullen begonnen zijn
Conditionnel (voorwaardelijke wijs )
Personne
Conditionnel présent (onvoltooid verleden toekomende tijd , abrégé o.v.t.t. )
Conditionnel passé (voltooid verleden toekomende tijd , abrégé v.v.t.t. )
1re pers. sing.
ik
zou begonnen worden
ik
zou begonnen zijn
2e pers. sing.
jij, je
zou begonnen worden
jij, je
zou begonnen zijn
u (vouvoiement)
zou/zoudt begonnen worden
u (vouvoiement)
zou/zoudt begonnen zijn
gij, ge
zoudt begonnen worden
gij, ge
zoudt begonnen zijn
3e pers. sing.
hij, zij, het
zou begonnen worden
hij, zij, het
zou begonnen zijn
1re pers. pl.
wij, we
zouden begonnen worden
wij, we
zouden begonnen zijn
2e pers. pl.
jullie
zouden begonnen worden
jullie
zouden begonnen zijn
3e pers. pl.
zij, ze
zouden begonnen worden
zij, ze
zouden begonnen zijn